

De wespspin (Argiope bruennichi) is een spin uit de familie Araneidae, ook wel echte spinnen genoemd. Andere benamingen zijn wespenspin of tijgerspin en de wetenschappelijke naam wordt weleens als Argiope bruennichii gespeld.
De naam ‘wespspin’ heeft alles te maken met het uiterlijk; de spin kan niet steken, maar wel bijten en de beet is ongevaarlijk voor mensen. De naam is vooral te danken aan het relatief zeer grote vrouwtje. Ze heeft een zwart achterlijf met heldere gele, witte en diepzwarte grillige banden, vooral vlak voor het afzetten van de eitjes is het achterlijf sterk gezwollen. De buikzijde van het achterlijf heeft twee gele strepen in de lengterichting. De cephalothorax of kopborststuk is zilverachtig behaard en de poten zijn duidelijk bruinzwart met geelgrijs gebandeerd. Ondersteboven zittend in het web valt de spin daardoor goed op, maar wordt door veel vijanden juist met rust gelaten vanwege het wesp-achtige uiterlijk.
De wespspin is een van de grootste Europese spinnen en is vanwege de lengte en kleuren moeilijk over het hoofd te zien. Zelfs voor mensen die niets van spinnen weten, is de soort makkelijk op naam te brengen. Vrouwtjes worden ongeveer 15 millimeter lang, gemeten van de kaken tot aan de punt van het achterlijf, door de grote dikke poten lijkt de spin aanzienlijk groter. Mannetjes zijn dofbruin en veel kleiner, ze worden maximaal 5 millimeter. Vanwege hun geringe grootte worden de mannetjes maar zelden opgemerkt.
De wespspin komt oorspronkelijk uit het Middellandse Zeegebied,[1] maar heeft zich in recente tijden, mogelijk geworden door de warmere zomers als gevolg van de klimaatsverandering verspreid naar het noorden van Europa tot in Noorwegen en komt in grote delen van Europa voor,[2] ook in Nederland en België, zij het niet in grote aantallen.[3] Zelfs in Groot-Brittannië wordt de spin sinds de jaren 20 aangetroffen,[2] terwijl de Noordzee voor veel dieren een grote barrière is. Met name op zonnige plekken is deze spin te vinden.
In Nederland was deze soort vrij zeldzaam, ze werd pas in 1980 ontdekt in Limburg. De laatste jaren rukt de spin op naar het noorden van het land. De spin is nu in alle Nederlandse provincies gezien en ook op een aantal waddeneilanden zoals Terschelling en Ameland.[4] Rond Eindhoven is de soort zelfs vrij algemeen. Met name wat open plaatsen als graslanden en heidevelden zijn een geschikte biotoop. In Vlaams-Brabant heeft de spin zich al jaren op verschillende plaatsen gevestigd, waaronder in Glabbeek en Scherpenheuvel-Zichem.[5] Ondertussen wordt ze over heel Vlaanderen aangetroffen. In tegenstelling tot hun zuidelijke soortgenoten zijn wespspinnen in het noorden van Europa niet het hele jaar door te vinden. Omdat het aantal warme maanden er beperkt is, hebben de noordelijke spinnen ook minder tijd om te groeien en blijven ze kleiner dan de spinnen uit het zuiden.[2]
Het mannetje van deze soort kan hooguit twee keer paren, omdat hij bij het paren een van zijn twee genitaliën in het vrouwtje laat zitten. Dat verkleint de kans dat andere mannetjes zich succesvol kunnen voortplanten met het vrouwtje. Mannetjes weten een onsuccesvolle bevruchting te vermijden door een maagdelijk vrouwtje te verkiezen. Zo’n vrouwtje scheidt een specifiek feromoon af dat opgepikt wordt door mannetjes.[6]
Het mannetje wordt echter na de paring vrijwel altijd ingesponnen en later opgegeten, zodat een tweede paring eerder uitzonderlijk is. Hij dient het vrouwtje tot voeding, wat de ontwikkeling van zijn nageslacht ten goede komt. Als het mannetje geluk heeft, is het vrouwtje pas verveld, dan zijn haar kaken nog zacht en maakt hij de grootste kans om te paren zonder opgegeten te worden vóór zijn sperma is afgegeven.
Een mannetje leeft ook aanzienlijk korter, nadat hij volwassen is slechts enkele dagen. Ongeveer een maand na de paring, rond augustus, worden de eitjes afgezet in een relatief enorme, gelige eicocon. Een cocon bevat honderden eitjes en wordt door het vrouwtje bewaakt tot ze sterft. Ongeveer een maand nadat de cocon is gesponnen komen de jonge spinnetjes uit het ei, maar verlaten de cocon pas in maart van het volgende jaar.
Gedurende de winter kunnen de donker gestreepte eicocons worden aangetroffen, ze zijn moeilijk over het hoofd te zien, omdat ze zo groot zijn als een golfbal en meestal tussen grashalmen of struiken worden opgehangen.